Ondanks die geringe erfelijkheidsgraad is het volgens de studente wel mogelijk om te fokken op minder tweelinggeboorten. Zo toonde ze aan dat er tussen groepen stieren met een hoge en lage fokwaarde voor tweelingen duidelijk verschillen zijn in het te verwachten percentage tweelinggeboorten bij hun dochters (figuur 1). Zo zou bij dochters van stieren met een fokwaarde tweelingen lager dan 97 het percentage tweelingen in lactatie twee en hoger op 5,1 procent uitkomen. Bij dochters van stieren met een fokwaarde hoger dan 104 zou dat op 1,8 procent liggen. ‘Als veehouders stieren zouden vermijden met een lage fokwaarde voor dit kenmerk, zou dat op termijn het aantal tweelinggeboorten via fokkerij kunnen verminderen’, concludeert Roeterdink.
Fokken op minder tweelingen heeft daarbij nauwelijks effect op de melkproductie. De genetische correlatie tussen het krijgen van tweelingen en melkproductie lag op 0,1. ‘Selecteren op tweelingen heeft dus vrijwel geen invloed op de productie. Dat is ook wel logisch, want de afgelopen twintig jaar is de productie flink gestegen, maar nam het aandeel tweelinggeboorten niet toe.’
Wel zag de studente in haar onderzoek dat de correlatie tussen het krijgen van tweelingen en de fokwaarde levensduur met –0,18 sterker was. ‘Koeien die een tweeling krijgen, worden iets eerder afgevoerd. Dat zou kunnen worden verklaard door de mindere gezondheid van de koeien na het krijgen van een tweeling’, denkt Roeterdink.
Een nog hogere correlatie vond Roeterdink tussen de fokwaarde voor tweelingen en reproductiestoornissen. Zo is de correlatie tussen tweelingen en baarmoederontsteking –0,44. ‘Dat laat zien dat selecteren op minder tweelingen indirect ook voor minder reproductiestoornissen kan zorgen en de levensduur iets kan verlengen.’
Fokken op minder tweelingen heeft dus zeker potentie, concludeert Roeterdink. ‘Het zou daarom goed zijn om een fokwaarde voor tweelinggeboorten te ontwikkelen.’