Minder tweelingen mogelijk met fokkerij

Minder tweelingen mogelijk met fokkerij

Van de ene stier kalven dochters vaker af van een tweeling dan van de andere. Dat ontdekte Nathalie Roeterdink tijdens haar stage bij CRV. Dat biedt kansen om via fokkerij tweelingen terug te dringen.

Het lijkt zo mooi: niet één, maar twee kalfjes tegelijk. Toch zullen de meeste veehouders niet blij zijn als een van hun koeien afkalft van een tweeling. Het krijgen van een tweeling heeft vaak negatieve gevolgen voor de gezondheid van koeien. De kans op complicaties na afkalven is groter. Zo zullen koeien na een tweelinggeboorte sneller aan de nageboorte blijven staan of baarmoederontsteking krijgen. Ook duurt het drachtig worden vaak langer en is de kans op vervroegde afvoer groter.

Vanwege die grote impact op de gezondheid van koeien besloot de afdeling Animal Evaluation Unit (AEU) van CRV uit te zoeken of het krijgen van een tweeling erfelijk is. De Wageningse masterstudente Nathalie Roeterdink ging met die vraag aan de slag.

Aandeel tweelingen 3,3 procent

Gemiddeld resulteert 3,3 procent van de afkalvingen in een tweeling. Dat percentage bleef tussen 2007 en 2025 stabiel. Wel is de variatie tussen bedrijven groot. Op sommige bedrijven loopt het percentage tweelinggeboorten op tot 15 à 18 procent. Sowieso krijgen koeien met twee lactaties of meer vaker (4,3 procent) een tweeling dan vaarzen (0,8 procent).

De meeste tweelingen, zo’n 90 tot 95 procent, zijn twee-eiig. Dat wil zeggen dat de moeder een dubbele eisprong heeft gehad. Dat suggereert dat het krijgen van tweelingen vooral via de moeder wordt bepaald en minder via de vader. Roeterdink richtte zich in haar onderzoek daarom vooral op de vader van de moeder. Aan de hand van een dataset van ruim twee miljoen afkalvingen uit de periode 2007 tot 2025 bepaalde ze de erfelijkheidsgraad van het kenmerk tweelinggeboorten.
Voor vaarzen ligt de erfelijkheidsgraad voor het krijgen van tweelingen op 1 procent, voor koeien met twee of meer lactaties op 3 procent. ‘Dat is vergelijkbaar
met andere gezondheidskenmerken met een lage incidentie, zoals kalvervitaliteit of levensvatbaarheid’, geeft Roeterdink aan.

Figuur 1 – Relatie tussen fokwaardeklasse van de stier en gemiddeld percentage tweelingen bij dochters van de stier
Figuur 1 – Relatie tussen fokwaardeklasse van de stier en gemiddeld percentage tweelingen bij dochters van de stier

Geen effect op melkproductie

Ondanks die geringe erfelijkheidsgraad is het volgens de studente wel mogelijk om te fokken op minder tweelinggeboorten. Zo toonde ze aan dat er tussen groepen stieren met een hoge en lage fokwaarde voor tweelingen duidelijk verschillen zijn in het te verwachten percentage tweelinggeboorten bij hun dochters (figuur 1). Zo zou bij dochters van stieren met een fokwaarde tweelingen lager dan 97 het percentage tweelingen in lactatie twee en hoger op 5,1 procent uitkomen. Bij dochters van stieren met een fokwaarde hoger dan 104 zou dat op 1,8 procent liggen. ‘Als veehouders stieren zouden vermijden met een lage fokwaarde voor dit kenmerk, zou dat op termijn het aantal tweelinggeboorten via fokkerij kunnen verminderen’, concludeert Roeterdink.

Fokken op minder tweelingen heeft daarbij nauwelijks effect op de melkproductie. De genetische correlatie tussen het krijgen van tweelingen en melkproductie lag op 0,1. ‘Selecteren op tweelingen heeft dus vrijwel geen invloed op de productie. Dat is ook wel logisch, want de afgelopen twintig jaar is de productie flink gestegen, maar nam het aandeel tweelinggeboorten niet toe.’

Wel zag de studente in haar onderzoek dat de correlatie tussen het krijgen van tweelingen en de fokwaarde levensduur met –0,18 sterker was. ‘Koeien die een tweeling krijgen, worden iets eerder afgevoerd. Dat zou kunnen worden verklaard door de mindere gezondheid van de koeien na het krijgen van een tweeling’, denkt Roeterdink.

Een nog hogere correlatie vond Roeterdink tussen de fokwaarde voor tweelingen en reproductiestoornissen. Zo is de correlatie tussen tweelingen en baarmoederontsteking –0,44. ‘Dat laat zien dat selecteren op minder tweelingen indirect ook voor minder reproductiestoornissen kan zorgen en de levensduur iets kan verlengen.’

Fokken op minder tweelingen heeft dus zeker potentie, concludeert Roeterdink. ‘Het zou daarom goed zijn om een fokwaarde voor tweelinggeboorten te ontwikkelen.’